Winterkoning herkennen
Hoe ik eruitzie
De Winterkoning is gemakkelijk te herkennen aan zijn silhouet: een klein lichaam heel rond met een korte staart die vaak opgericht is.
Het verenkleed is bruingrijs met nuances van roodbruin.
Hij heeft een lichte wenkbrauwstreep boven het oog.
De bovenzijde van het lichaam is roodbruin.
De onderzijde is licht.
De vleugels en staart zijn gestreept.
Hij is iets kleiner dan de Pimpelmees.
Mijn zang, mijn roepen
De Winterkoning is klein, maar heeft een krachtige zang.
Hij produceert scherpe tonen en hoge trillers.
Je kunt zijn zang het hele jaar door horen.
Hij maakt ook roepgeluiden "tsrrrt" en "tek tek tek".
Hoe ik me gedraag
Hij is moeilijk te zien omdat hij vaak in het struikgewas op de grond zit.
Zijn vlucht is trillerig en dicht bij de grond.
Meestal overwintert hij alleen. Maar soms worden er slaapplaatsen van meerdere individuen gevonden.
In de winter wordt hij soms gevonden in nestkastjes voor mezen. Ze klitten samen om zich warm te houden.
Als hij opgewonden is, siddert hij.
Hoe ik me voortplant
De broedperiode van de Winterkoning loopt van april tot augustus.
Hij legt 2 legsels per jaar van 5 tot 7 wit met bruin gevlekte eieren.
Zijn nest is een bol van gras en bladeren met een zij-ingang.
Hij bouwt zijn nest dicht bij de grond in dichte struiken.
In de tuin kan een takkenhoop dienen als broedplaats.
Het mannetje kan meerdere vrouwtjes hebben.
Ze kunnen ook nestkastjes gebruiken om hun nest in te bouwen.
Wat ik eet
De Winterkoning voedt zich met insecten en spinnen in de struiken.
Hij sneakt soms stilletjes in de buurt van voedselplaatsen op de grond.
Waar je me kunt vinden
De Winterkoning leeft in de ondergroei, struiken en bosrijke parken en tuinen.
Hij vestigt zich vaak dicht bij water.
Het is een standvogel of korte afstandstrekker.
In de winter wordt hij vaker gezien in de buurt van huizen, in verwilderde tuinen.