Merel herkennen
Hoe ik eruitzie
De Merel heeft een zwart verenkleed.
Hij heeft een geel-oranje snavel en een gele oogring.
Het vrouwtje heeft een donkerbruin verenkleed, zonder gele oogring.
De juvenielen zijn lichtbruin en gevlekt.
Mijn zang, mijn roepen
Je kunt de Merel al horen zingen vanaf februari.
Overdag hoor je hem vanaf zonsopgang en 's avonds.
Zijn zang is melodisch en fluitend, vaak met een hogere finale.
De zang van de Merel dient om zijn territorium af te bakenen en vrouwtjes aan te trekken.
Hij maakt ook verschillende geluiden, zoals bijvoorbeeld zijn alarmsignaal "zwit" "zwit".
Hoe ik me gedraag
De Merel zoekt zijn voedsel op de grond, hij doorzoekt de gemaaide gazons op zoek naar wormen.
Hij huppelt met beide poten tegelijk.
Op voederplaatsen is hij soms agressief.
De Merel leeft niet in groepen, het is een territoriale soort.
Hoe ik me voortplant
De broedperiode van de Merel loopt van februari tot augustus.
Hij heeft 2 tot 3 broedsels per jaar van 3 tot 5 blauwgroene eieren met bruine vlekken.
Hij nestelt in bomen en struiken en in nestkasten.
Zijn nest is een kom omgeven door modder, soms nauwelijks verborgen.
Wat ik eet
De Merel is alleseter: hij eet insecten, regenwormen en soms zaden...
maar ook vruchten, terwijl hij de takken doorzoekt.
Hij geeft de voorkeur aan dierlijke prooien tijdens het broedseizoen.
en vruchten en bessen in de herfst en winter.
Waar je me kunt vinden
Hij leeft in beboste gebieden (bossen, bosjes, hagen) en in de parken en tuinen van steden en dorpen.
Hij is standvogel of soms een korteafstandstrekker.
In Europa migreren de noordelijke populaties naar het zuiden bij de nadering van de herfst.