Gaai herkennen
Hoe ik eruitzie
De Gaai is zo groot als een Kauw.
Hij is herkenbaar aan zijn veelkleurige verenkleed.
Zijn lichaam is lichtbruin en varieert van roze tot oranje.
Zijn vleugels zijn zwart en wit met een blauwe vleugelstreep met zwarte strepen.
Zijn glinsterende blauw is zeer kenmerkend en goed zichtbaar in vlucht.
De stuit is wit en de staart is zwart.
Hij heeft een wit gezicht met een zwarte snor. De bovenkant van het hoofd is wit met zwarte strepen.
Zijn zwarte, krachtige snavel stelt hem in staat om grote noten te kraken, vastgehouden tussen zijn poten.
Zijn ogen zijn licht.
Mijn zang, mijn roepen
De Gaai maakt schorre, krijsende en krachtige geluiden. "rrèèh rrèèh" of "rrèèik".
Hij laat ook een soort miauw horen "hièèèh" dat lijkt op die van een Buizerd.
Hoe ik me gedraag
De Gaai zwerft in kleine groepjes rond buiten het broedseizoen.
In de herfst kan men hem eikels zien verzamelen en deze verstoppen voor de winter.
In de tuin is hij nogal schuw: hij komt noten en zaden halen, maar eet deze liever elders in een rustige hoek of verstopt ze.
Hoe ik me voortplant
De broedperiode van de Gaai loopt van maart tot augustus.
Hij legt 1 legsel per jaar van 3 tot 6 lichtgroene eieren met bruine vlekken.
Hij nestelt in bomen en is zeer discreet tijdens de voortplanting.
Zijn nest is een verzameling takjes bekleed met mos, gras en bladeren.
Wat ik eet
De Gaai eet voornamelijk eikels, hazelnoten en beukennootjes in het slechte seizoen.
In het goede seizoen jaagt en voedt hij zich met dieren.
Hij is niet afhankelijk van voederplaatsen omdat hij zijn voorraden verstopt om de hele winter door te komen.
Hij komt naar de voederplaats nabij bosrijke gebieden in jaren waarin vruchten schaars zijn.
Hij vult zijn keel en keert terug naar het bos om zijn voorraden te verstoppen.
Hij graaft een gat om zijn voedsel in te plaatsen en bedekt zijn schuilplaats met verschillende planten.
Waar je me kunt vinden
De Gaai leeft in bossen, op vlaktes, in bergen en in parken en tuinen.
Hij geeft de voorkeur aan loofbossen (eiken) en gemengde bossen.
Hij vindt niet altijd al zijn voedselvoorraden terug en draagt zo bij aan het herstellen van bossen...
bijvoorbeeld eikenbossen.
Het is een standvogel of een kortafstandsmigrant.