Boomklever herkennen
Hoe ik eruitzie
De Boomklever heeft een blauwe bovenkant van de kop, witte wangen en een zwarte oogstreep.
Zijn snavel is slank en krachtig.
De bovenkant van zijn lichaam is leigrijs.
De onderkant is oranje tot bruin.
Hij heeft een korte staart.
Zijn poten hebben gebogen nagels zoals klauwen aan het uiteinde van de tenen om zich gemakkelijk vast te houden.
Hij is zo groot als een mus.
Mijn zang, mijn roepen
Het hele jaar door kun je zijn roep "tuit tuit tuit" horen.
De zang van de Boomklever is een fluitend ritme "tuituituitui" of "tiutiutiu", langzaam of snel met soms trillers.
Hier, een langzaam gefloten lied "tuituitui" ...
Hier, een langzaam gefloten lied "tiutiutiu" ...
en hier een snel gefloten lied!
Hoe ik me gedraag
De Boomklever zit vaak vastgeklemd aan een stam, met zijn kop naar beneden.
Hij beweegt zich ook op de onderkant van de takken.
Hij daalt een stam af in een schuine of zigzag beweging.
Eén omhooggebogen teen houdt het gewicht van zijn lichaam vast als hij met zijn kop naar beneden hangt.
Hij is weinig sociaal en leeft vaak het hele jaar door in paren, waarbij hij zijn territorium tegen soortgenoten verdedigt.
Soms kun je hem horen hameren op de schalen van noten.
Hoe ik me voortplant
De broedperiode van de Boomklever loopt van maart tot juni.
Hij produceert 1 broedsel per jaar van 5 tot 8 wit met bruin gevlekte eieren.
Hij nestelt in boomholtes, spechtengaten en nestkasten.
Zijn nest is bekleed met schors.
Hij kan de ingang van een boomholte met zijn snavel vergroten.
of juist verkleinen met modder rondom de randen om concurrenten buiten te houden.
Vandaar zijn naam "torchepot": een modderpleister maken rond de pot (het spechtengat of nestkast).
Wat ik eet
De Boomklever voedt zich met insecten en zaden.
Hij legt voedselvoorraden aan onder de schors.
Hij jaagt op insecten door te zoeken in de schors, takken en bladeren.
Soms zoekt hij zijn voedsel op de grond.
Bij de voederplaats is hij agressief en pikt meerdere zaden tegelijk.
Waar je me kunt vinden
De Boomklever leeft in loofbossen, gemengde bossen en parken en tuinen.
Hij geeft de voorkeur aan oude bossen waar hij oude bomen kan vinden om in te nestelen.
Het is een standvogel.
Trouw aan zijn territorium, vindt hij gemakkelijk zijn voedselverstopplaatsen terug.