De Alk herkennen
Zijn wetenschappelijke naam is 'Alca torda', van de familie Alcidae (orde Charadriiformes)
Hoe ik eruitzie
De Alk is iets kleiner dan de Zeekoet.
De bovenkant van het lichaam is zwartachtig.
De onderkant is wit (de flanken zijn niet gestreept).
Hij heeft een korte, dikke en stompe snavel met een witte lijn op het uiteinde.
Hij heeft een stevige nek, een lange puntige staart en een plattere rug dan de Zeekoet.
Zijn lange puntige staart valt goed op wanneer hij met de rug naar je toe staat of op het water, met de staart omhoog.
In vlucht zijn de witte zijden duidelijker zichtbaar dan bij de Zeekoet. Ook valt het afgebakende stuitje op met de poten onder de staart.
In broedkleed zijn de kop en de keel zwart, de witte lijn op de snavel is duidelijk en er verschijnt een witte lijn tussen de snavel en het oog.
In winterkleed zijn de wangen wit, wat hem kan verwarren met de Zeekoet, maar zijn staart is langer, hij heeft geen gestreepte flanken en de okselzone is wit.
De juvenielen hebben een kleinere, dunnere en scherpere snavel en hebben geen witte lijn op het uiteinde.
Mijn zang, mijn roepen
De Alk is vrij stil. Hij laat vooral van zich horen in kolonies.
De broedvogels maken lage "urrr" geluiden, rauwe kreten die lijken op grommen.
Hoe ik me gedraag
De Alk vliegt vaak in groep laag over de golven met snelle vleugelslagen.
Hij is een behendige duiker. Hij spreidt zijn vleugels voordat hij duikt en "vliegt" onder water, waarbij zijn poten als roer dienen.
Hoe ik me voortplant
De Alk broedt op kliffen, in grote holten of puinhellingen en soms in holen zoals de Papegaaiduiker.
Hij broedt in geïsoleerde paren of in losse kolonies (in tegenstelling tot de Zeekoet die dichte groepen vormt).
Hij legt een enkel, peervormig ei, dat conisch is en voorkomt dat het wegrolt, rechtstreeks op de rots.
Wat ik eet
De Alk voedt zich met vissen en schaaldieren.
Om voedsel te vinden, vissen ze in groep en duiken ze in scholen vissen.
Hij kan meerdere vissen tegelijk in zijn snavel grijpen.
Waar je me kunt vinden
De Alk is pelagisch (leeft op volle zee).
Je vindt hem in de Atlantische Oceaan tot aan Noord-Afrika.
Om te broeden, komt hij naar de kusten en gaat langs de Atlantische kust tot aan Bretagne.
Hij kan ongeveer twintig jaar oud worden.